Geografie - Geologie - Geschied- en heemkundige kring Pepijn@Landen

Geschied- en Heemkundige Kring Pepijn@Landen
Ga naar de inhoud

Hoofdmenu:

Geografie - Geologie

Over Landen > Algemeen
 Landschap


De Vlaams-Brabantse gemeente Groot-Landen behoort geografisch tot westelijk Brabants Haspengouw in het zuiden van Vlaanderen. Zijn oppervlakte van 55 vierkante km en zijn 43 km lange grenzen worden afgeboord door de gemeenten Gingelom en Sint-Truiden in het oosten, Zoutleeuw en Linter in het noorden, Tienen en Hélécine in het westen en tenslotte Lincent en Hannut in het zuiden. Landen-centrum is een levendige, kleine stad die binnen een straal van 15 km omgeven wordt door de steden Hannut, Jodoigne, St-Truiden, Tienen en Waremme.

Op de noord-westelijke rand van het golvend Haspengouwse laagplateau

De meest verheven niveaus situeren zich in het zuiden in de deelgemeente Walshoutem waar hoogten tot 135 m worden bereikt. Het noordwesten in de vallei van de Kleine Gete (Eliksem, Wange) ligt op amper 40 m boven de zeespiegel.

De vallei van de Molenbeek in Neerlanden

De vallei van de Molenbeek in Walsbets

Het reliëfbeeld van Groot-Landen kan topografisch opgedeeld worden volgens de as Waasmont (westen) - Wezeren (oosten) in een noordelijk gelegen open, licht golvend en een zuidelijk gelegen open, sterker golvend landschap. In het laatste gedeelte klimt het reliëf geleidelijk op naar het waterscheidingsgebied tussen het Schelde (Gete)- en het Maas (Méhaigne)bekken. Terugschrijdende bronerosie van de bovenlopen van de Molenbeek en hellingserosie zijn verantwoordelijk voor de grotere versnijding van het landschap uitmondend in steile hellingen en dalwanden (tot 70 m hoogteverschil op een afstand van 1 km) en afgewisseld met talrijke insnijdingen van droge dalletjes. Het geheel geeft het landschap een meer heuvelig aspect. Ten noorden van bovengenoemde as wordt het landschap in eerste instantie bepaald door de beken.

De Zijp, die in de Molenbeek uitmondt te Attenhoven, en de kronkelende Molenbeek zelf verdelen het landschap. Naar het noorden breder worden valleibodems met asymmetrische hellingen wisselen af met enkele langgerekte afgevlakte noord-zuid verlopende kammen die als resten van het vroegere plateau geleidelijk in hoogte afnemen in noordelijke richting. Enkele mooi gevormde dellen (o.a. in Attenhoven), soms gevoed met bronnetjes, monden uit in de Molenbeek. In de westelijke helft van de gemeente daalt het reliëf zeer langzaam en progressief in de richting van de vallei van de Kleine Gete. Zijn noordwest-zuidoost verlopende Kraanbeek (tussen Overwinden en Laar) heeft maar een geringe impact op het reliëf. Het geheel geeft het landschap in het noordelijke gedeelte van de gemeente een lichtgolvend en meer open karakter.



Ondergrond


In Groot-Landen dagzomen Paleocene en Eocene gesteenteformaties die teruggaan tot het Cenozoïcum (Onder-Tertiair) en een ouderdom hebben tussen 40 en 60 miljoen jaar. Tussen de interfluvia van de beekvalleien dagzoomt de Formatie van Hannut (Onder-Landeniaan) bestaande uit meters dikke mariene afzettingen in de vorm van zuivere en zandige kleien, kleiige zanden en al of niet verkiezelde kleistenen, afgedekt met strandzanden. De kleistenen zijn een veel minder kalkrijke variant van de ten zuiden van Landen dagzomende Tuffeau de Lincent die als bouwsteen werd aangewend in o.a. de St.-Jan De Doperkerk van Walsbets en de St.-Amanduskerk van Wezeren. Daarenboven herbergt deze formatie een grondwatervoorraad die nog steeds een rol speelt in de drinkwatervoorziening.

De Landense tuffeau

De verkiezelde vorm van de Landense tuffeau

Op de hoger gelegen interfluvia tussen de beekvalleien dagzomen onder het leemdek vooreerst de jongere lagen van de Formatie van Tienen (Boven-Landeniaan) bestaande uit lagunaire afzettingen onder de vorm van lignietkleien, mergels, kwartsieten enerzijds en rivierafzettingen onder de vorm van grind-, schelpenbanken en zanden anderzijds en daarboven de Formatie van St-Huibrechts-Hern (Onder-Tongeriaan) onder de vorm van mariene zanden. De harde kwartsieten met hun typisch voorkomen vinden we terug op de kasseiwegen en als bouwsteen in o.a. de St.-Gertrudiskerk en de St.-Jan De Doperkerk.

Kwartsiet van Tienen (gelobde vorm)


Een gewijzigd zeeklimaat en een minder rijke neerslag tijdens herfst en winter



De gemiddelde jaarlijkse temperatuur bedraagt in Landen 9,2 °C (Koksijde : 9,4°C en Bouillon : 8,1°C). De grotere afstand tot de zee, de hoogteligging en de aard van de bodem en reliëf maken dat het gemiddelde temperatuurverschil tussen zomer (juli-maand) en winter (januari-maand) - de gemiddelde jaaramplitude - groter wordt. In Landen bedraagt deze laatste 15,2°C tegen 13,4°C aan de kust. De gemiddelde maandelijkse lente- en zomertemperaturen liggen circa 1°C hoger in Landen dan aan de kust. In de herfst en winter geldt het omgekeerde: nu boeken we een licht verlies t.o.v. de kuststreek.

Dit komt nog sterker tot uiting in de gemiddelde maandelijkse maximumwaarden (gemiddelde van de dagmaxima) van de temperatuur. Het zijn deze laatste waarden die in het bijzonder de toerist of de wandelaar interesseren. De jaaramplitude bedraagt nu 17,7°C (tegen 14,8°C aan de kust). Vermits de invloed van de zee op de luchttemperatuur in Landen enigszins is afgezwakt zullen we iets meer beïnvloed worden door continentale of landeffecten. De snellere afkoeling en verwarming van het land worden er dus minder tegengewerkt door de zee. In Landen heerst er bijgevolg een gewijzigd zeeklimaat.

In Landen viel er voor de genormaliseerde periode 1933-1975 een gemiddelde jaarlijkse neerslag van 676 mm (l/m2) of ongeveer 1/5 minder dan in Ukkel. Dit is vergelijkbaar met wat er jaarlijks aan neerslag in de kuststreek valt. Landen kent een complex neerslagregime met afgezwakte neerslaghoogte zowel tijdens de herfst als tijdens de winter en waar een periode met zomerse neerslag voorkomt, kenmerkend voor de continentale gebieden, die duidelijk het dominerend kenmerk wordt. Dit neerslagregime is vrij typisch voor Haspengouw, de Zuiderkempen en het Land van Herve.


 Wateroverlast: de Molenbeek treedt buiten haar oevers (Rufferdinge)

Loess, een vruchtbare bodem

Het landschap wordt afgedekt door een eolische leemmantel (of loessmantel) die voornamelijk tijdens de jongste ijstijd werd afgezet. Op deze loess hebben zich vruchtbare al of niet verspoelde (colluviale) leembodems ontwikkeld. Het bodemprofiel bestaat hier in grote lijnen aan de oppervlakte uit een licht-lemige uitgeloogde horizont en daaronder een zuiver lemige horizont aangerijkt met klei. Deze leemgronden zijn goed ontwaterd omdat de leembedekking vrij dik is (tussen 1 à 5 m, soms oplopend tot 10 m en meer) en het reliëf voldoende helt om de noodzakelijke afwatering toe te laten. Deze gronden nemen het grootste gedeelte van de oppervlakte van de gemeente in.

Sommige colluviale bodems (aan de voet van de hellingen) zijn minder goed gedraineerd zoals in de depressie ten noordoosten van Attenhoven. Vermits het Tertiair materiaal op bepaalde plaatsen dagzoomt kan het voorkomen dat de leem vermengd is met zand, klei of keien. Deze erg verspreid liggende bodems zijn landbouwkundig minder interessant. De kleiachtige ontsluitingen hebben tijdens het vochtige seizoen meestal stuwwater, anderzijds drogen zij zeer sterk uit bij aanhoudende droogte. De alluviale gronden komen voor in de beekvalleien en kenmerken zich door hun slechte waterhuishouding. Hierdoor zijn deze bodems enkel geschikt voor weiland. Op sommige plaatsen (de Beemden) is de grondwaterstand het ganse jaar door zeer ondiep.

Het aantrekkelijke platteland

Op het platteland ontmoeten we de typische structuur van kleine dorpen die nog in de meeste gevallen worden omringd door een gordel van weiden en boomgaarden. Daarrond liggen akkers, die oorspronkelijk in een drieslagstelsel werden bewerkt. Wegens de nabijheid van het water ontstonden de dorpen bij voorkeur in een beekdal. De beekdalen worden ingenomen door vochtige weiden en omzoomd door canadapopulieren. De weiden worden soms afgeboord met waardevolle heggen. Ook meidoorn, vlier, olm en wilg worden hiervoor aangewend. De grote hoeven zijn typische vierkante gebouwencomplexen met hoge inrijpoort, waarvan de oudste dateert uit de 17e eeuw. Ook kleinere bedrijven hebben min of meer dezelfde vorm aangehouden. Verschillende kwadraathoeven werden bij koninklijk besluit geklasseerd, onder andere in Attenhoven, Neerlanden, Walsbets en Walshoutem.

Holle wegen zijn een typisch kenmerk van het wegennet in agrarische leemstreken. Het zijn doorgaans paden die hogergelegen akkers verbinden met de lagergelegen dorpskern in de vallei . Door afstromend water kwamen ze soms enkele meters lager te liggen dan de omliggende terreinen. Vaak hebben de beide hellingen een waardevolle natuurlijke begroeiing, die soms nog de enige natuurlijke vegetatie vormt in het geheel van akkercomplexen. Op het Landense grondgebied werden nog enkele onverharde holle wegen voor het nageslacht bewaard, waarbij "De Longa" op de grens met Tienen en het Waalse Gewest het meeste indruk maakt. Deze kleine landschapselementen worden niet steeds respectvol behandeld : bij de ruilverkaveling werden sommige gewoon dichtgelegd of werden aanzienlijk ingekort. Vaak worden ze ook bevuild door sluikstortingen.





Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu